Na vandaag een gewonnen voetbalwedstrijd van mijn jongste zoon (met als belofte een verse kapsalon die ik zou maken als ze zouden winnen) en daarna nog twee uur studie aan de keukentafel, beland ik toch in mijn laatste etappe van de dag. Ik ben moe maar ook weer niet moe. Het is bijna 20:45 en eigenlijk wil ik lekker tv kijken.
Maar God, die liefdevolle God, is mijn Vader en ik kan niet stoppen om te vertellen hoe geweldig en liefdevol Hij is.
Ik leef namelijk echt in geleende tijd. Dat ik nog leef is door Zijn genade maar ook door Zijn wonder. Wat al begon vanaf het moment dat ik mijn eerste levensadem pakte tot aan vandaag de dag, is het oprecht een wonder dat ik nog leef.
Voor wat ik nu met jullie ga delen, neem ik jullie mee naar het jaar 2012. Mijn oudste zoon was toen 8 jaar bijna 9 en de jongste was nog niet geboren. Ik bracht mijn zoon vaak naar mijn ouders die in Friesland wonen, de plek waar ik ben opgegroeid. Het was schoolvakantie en mijn zoon bleef een week bij mijn ouders zodat ik even bij kon komen. Toen ik hem daar had gebracht reed ik door naar mijn vriendin die in Leeuwarden woonde. Eigenlijk wilde ik het niet te laat maken omdat ik in die tijd best actief was met trainen bij de kickboksschool.
Ik leef namelijk echt in geleende tijd. Dat ik nog leef is door Zijn genade maar ook door Zijn wonder.
Maar we zaten gezellig te praten, dronken wat en voor ik het wist was het twee uur in de nacht.
Ze zei nog: ‘Blijf anders slapen op de bank, dan ga je morgen vroeg weg.’
Ik zei: ‘Nee, dat wil ik niet. Ik ga zo rijden, want dan ben ik morgen vroeg op tijd om naar mijn training te gaan.’
Ik was jong en eigenwijs en reed toch om twee uur bij haar vandaan. Met de muziek op volume tien en honderd liedjes in het verschiet schoot ik door de nacht met een gangetje van minstens 135 km per uur. Als ik het zo teruglees, ben ik daar niet trots op. Velen zullen zeggen: ‘Meid, je reed veel te snel!’ En dat klopt ook. Maar ik dacht: als ik dit tactisch speel, kan ik morgen vroeg opstaan en mijn training volgen.
Ik was vlak voor Almere en net Lelystad voorbij. ‘Bijna thuis,’ dacht ik nog. En ineens vervaagde die gedachte door een enorme klap. Een grote kop van een ree verscheen boven op mijn motorkap en voordat ik het wist was het al gebeurd. Ik ging van 135 km per uur naar ongeveer 40 en daarna steeds langzamer. Ik weet niet eens hoe snel ik heb geschakeld, maar wel dat er iets ergs was gebeurd.
Ik keek om mij heen; het was helemaal donker. Geen auto’s, geen licht, niets. Ook het dier zelf zag ik niet meer. De Heilige Geest was meteen duidelijk aanwezig, alsof Hij op mijn schouders zat en zei: ‘Rocio, je moet naar rechts rijden. Nu.’
Ik luisterde en reed naar rechts, aan de zijkant van de weg, en zette de auto uit. Terwijl ik vooruitkeek, begon het langzaam te dagen wat er was gebeurd en ik begon te huilen. Het eerste wat ik zei was: ‘God, ik heb een dier van U doodgereden. Hoe kan ik dit goedmaken, Heer? Ik heb een schepping van U doodgereden.’ Ik kon het mezelf meteen al niet meer vergeven.
Toen zei God: ‘Je mag niet naar buiten. Blijf in de auto zitten.’ Terwijl ik met mijn hoofd over het stuur heen keek, zag ik in mijn waas een groot vel licht met een kleur als een bliksemschicht naar beneden komen. God zei: ‘Kijk niet op of om.’ Ik bleef naar het dashboard en de motorkap staren die openstond.
Na een minuut of twee hoorde ik: ‘Rocio, start de auto.’ Ik was iets rustiger en keek achterom, maar alles was zwart. Toen zei God weer, maar nu met klem: ‘Start de auto.’ Ik startte de auto. Hij deed het gelukkig en dat was een enorme opluchting. Het was precies vlak voor de afslag naar mijn huis en na een paar minuten kwam die afslag al in zicht. Ik baalde zo erg, maar was ook blij dat de auto het nog deed. De motorkap stond nog open, maar ik dacht: laat maar, ik kijk thuis wel.
Toen ik thuis kwam zette ik de auto in een parkeervak en besloot om niet te kijken want ik was bang. Het bijzondere was dat ik de auto de volgende dag alweer moest inleveren bij het verhuurbedrijf. De volgende ochtend stond ik vroeg op, nam een douche en maakte me klaar. Toen ik naar buiten liep en naar de voorkant wilde kijken zei God: ‘Nee. Je stapt in en je kijkt niet. Start de auto. Wees niet bang, Ik ben bij je.’
Dus ik stapte in en reed richting het verhuurbedrijf, met schaamte, want de motorkap stond nog steeds open. Gelukkig was er op zaterdagochtend om half acht nog weinig verkeer op de weg. Ik kwam veilig aan, zette de auto voor de garage en stapte uit zonder naar de voorkant te kijken, opnieuw op instructie van de Heilige Geest.
Bij de balie vertelde ik zo rustig mogelijk dat ik een ongeluk had gehad en dat er een ree op mijn motorkap was geklapt op de A6. De beste man zei nog: ‘Nou, ik denk dat het nog wel meevalt, want je staat hier en je hebt de auto teruggebracht.’ Hij kon het verhaal niet helemaal plaatsen en zei: ‘Weet je wat, neem een bakje koffie, ik ga wel even kijken.’
Nog geen twee minuten later kwam hij naar binnen rennen met ogen zo groot als die van een bosuil en zei: ‘Wat is er gebeurd?! En hoe ben jij hier gekomen?’ Ik zei: ‘Dat heb ik u net verteld, toch? Ik heb de auto net het terrein op gereden.’ Ik begon te huilen, omdat ik bang was dat hij boos zou worden.
Hij zei: ‘Meisje, kom eens mee. Ik wil je iets laten zien.’ Toen ik naar de voorkant van de auto liep schrok ik enorm. Het was een complete ravage. Alles was kapot en zelfs het nummerbord was foetsie.
Ik kon alleen maar zeggen:
‘God, U bent groot. U alleen, Abba!’
De man zei:
‘Het kan niet dat jij naar huis bent gereden of hier naartoe bent gekomen. Dat gaat niet. Alles is stuk. Zelfs iemand die geen verstand heeft van auto’s kan zien dat deze auto total loss is. Je airbag is niet eens afgegaan en dat is ook een raadsel met zo’n klap.’
Ik zei alleen: ‘Meneer, ik weet het niet. Ik ben hier. Dat is alles wat ik weet.’ En eerlijk gezegd dacht ik: als ik hem nu ook nog ga vertellen dat God mij heeft geholpen, dan denkt hij straks dat ik helemaal van het padje ben.
Het was geen leuke belevenis, maar omdat ik dit heb meegemaakt, kan ik vandaag mijn getuigenis delen en zeggen:
Wonderen bestaan echt.
Dank U God.
Wie had gedacht dat ik twaalf jaar later, op een zaterdagavond om tien uur, een blog hierover zou schrijven en zou vertellen:
HOE GROOT GOD IS
EN DAT ZIJN WONDEREN ECHT BESTAAN.
I rest my case.
Liefs,
Rocio






